De Méthode champenoise heeft tot doel een tweede gisting van de champagnewijn in de fles te laten plaatsvinden. Daartoe worden verschillende wijnen tot een proto-champagne geassembleerd (de coupage). Vervolgens wordt deze proto-champagne op fles getrokken en wordt aan de proto-champagne een mengsel van in wijn opgeloste rietsuiker (en eventueel citroenzuur en eventueel wat extra gist) toegevoegd. De voorgenoemde handelingen resulteren in een tweede gisting op de fles.
Tijdens de tweede gisting (die in de koude kelders tot drie maanden kan duren) loopt de druk in de fles op tot 5 à 6 atmosfeer. Aansluitend worden de flessen enige tijd opgelegd. Na de oplegging is het tijd om het bezinksel, een restproduct van de tweede gisting, te verwijderen. Tegenwoordig doet men dat door de hals van de fles te bevriezen en vervolgens de fles te ontkurken. De in de champagnefles opgebouwde druk zorgt ervoor dat het bevroren bezinksel (en een klein beetje champagne) er uit schiet. Voordat het bezinksel echter op de tijdelijke kurk is komen te liggen heeft de fles een lange reeks van het door mensen uitgevoerde draaien en schuin(er) zetten achter de rug.
De fles wordt daarop weer aangevuld met Champagne en, afhankelijk van de gewenste zoetheid van de champagne, voor een tweede keer voorzien van een bepaalde hoeveelheid in champagne opgeloste suiker. Dan wordt de definitieve kurk op de fles geslagen en wordt de champagne opnieuw opgelegd. Tijdens deze laatste opleggingsperiode wordt gecontroleerd of er geen derde (ongewenste) gisting optreedt.